
Dagelijkse dingen vanuit Milo en Sophie
In dit blog nemen Milo en Sophie je mee in ons leven van alledag. De dag bekeken door de ogen van twee nieuwsgierige huiskatten. Dit zijn geen verzonnen verhalen, maar echte momenten uit ons leven samen: van kleine dagelijkse dingen tot bijzondere gebeurtenissen.
Milo en Sophie volgen hun mens op de voet en verwonderen zich over alles wat mensen doen, voelen en beleven.
Soms zijn dingen in ons leven luchtig en grappig, soms ontroerend of confronterend, maar altijd met een knipoog, een vleugje kattenwijsheid en oog voor de kleine momenten die het leven bijzonder maken.
Want soms ontstaat er, door de wereld vanuit een ander perspectief te bekijken, een verrassend inzicht. En soms komen juist de warmste herinneringen weer tot leven.


Uniek perspectief
Verhalen verteld vanuit het verfrissende standpunt van mijn twee huiskatten.

Voor jong en oud
Echte verhalen uit het dagelijks leven, geschreven met warmte, liefde en humor. Soms met een glimlach, soms om even bij stil te staan, maar altijd met een luchtige poot 🐾

Humor & Herkenning
Inzichten die aanzetten tot lachen en nadenken
Ons team
Ons team bestaat uit hoogopgeleide en gemotiveerde medewerkers die absolute experts zijn in hun vakgebied.

Milo
Een buitengewone kater met een scherpe blik op de gevoelens van zijn vrouwtje. Hij luistert, vooral als er snacks in het spel zijn, en houdt van vaste ritmes.
Buiten is hij graag op jacht naar alles wat vliegt en beweegt, zolang het niet regent.
Hij geniet van aandacht, geeft die ook terug en is een teamlid waar je op kunt bouwen. 🐈⬛

Sophie
Sophie weet precies wat ze wil en bepaalt zelf wanneer ze ergens zin in heeft. Met haar sterke eigen wil laat ze zich niet zomaar iets opleggen.
Haar favoriete traktatie? Liquids! Het liefst geniet ze van haar rustplekje in het gras of bij de omgezaagde boom.
Een waardig teamlid met karakter. 🐈♀️

De vrouw achter Milo en Sophie
Jullie lezen al even mee met de avonturen van Milo en Sophie. Tijd om de vertaler van deze twee eens voor te stellen.
Ik heet Marjolein en ben al van jongs af aan gek op alles wat vier poten heeft. Op de één of andere manier begrijp ik deze viervoeters.
Ik geniet van de mooie dingen in het leven. Soms ben ik praktisch en soms laat ik mijn fantasie de vrije loop.
Schrijven zit ook al van jongs af aan in mijn vingers en nu krijgen die vingers de vrijheid.
Wanneer ik naar Milo en Sophie kijk, zie ik twee katten die gewoon hun ding doen. Ze hebben hun eigen karakter, hun eigen streken en hun eigen kijk op de wereld.
Wat je hier leest, zijn geen verzonnen verhalen. Het zijn echte momenten uit het leven van Milo en Sophie. Ik geef er alleen mijn eigen woorden aan en probeer te vertalen wat er volgens mij in die koppies omgaat.
De taal van mensen is soms best ingewikkeld, terwijl het eigenlijk heel eenvoudig kan zijn. En precies daar gebeurt de magie van het schrijven.
Als ik daarmee bij jou een glimlach op je gezicht kan brengen, je even kan laten nadenken of je gewoon een klein momentje van plezier kan geven, dan is mijn doel bereikt.
Ik geef Milo en Sophie een stem. Zij vertellen hun verhaal, zoals zij de wereld beleven. En ik? Ik ben alleen maar de vertaler die voor deze twee mag zorgen en van deze twee mag houden.
Takkies
Sophie is een echte stoere buitenpoes. Ze kan kijken naar een beestje en dan ineens springt ze erop af. Meestal heeft ze het dan te pakken en gaat ermee onder de coniferen heg zitten spelen.
Sophie heeft lange poten en kan hierdoor hoger en verder springen dan ik dat kan. Ik heb daardoor andere vaardigheden om beestjes te vangen. En we kijken ook een beetje af bij elkaar, zo leren we weer wat ook kan.
Ik sluip. Met mijn buik over het grind zonder geluid te maken sluip ik naar de bak met kattenkruid met mijn hoofd laag en oren plat. Ik zie hem zitten: de grote bromvlieg. Langzaam sluip ik dichterbij en dan spring ik erop af.
Vaak heb ik beet, dan neem ik deze gauw mee naar binnen. Ik wil ermee spelen maar vrouwtje is duidelijk in de afkeuring: “Milo, dat is zielig. Of doodmaken of ik pak hem af en zet hem buiten hoog neer”


Het was schemertijd, de beste jaagtijd. En ik had een heel wild motje te pakken. Dat moest ik natuurlijk laten zien aan het vrouwtje!
Dat ging niet helemaal goed. Binnen ontsnapte het motje, dat volgens het vrouwtje best een groot motje was. We kregen het niet meer te pakken. Er werd flink op mij gemopperd, want ik was toch gewaarschuwd en zo.
Een paar dagen later hoorde ik weer het geluid van vleugels. Dit keer bleef ik gehoorzaam zitten en maakte ik met kekkekkek-geluidjes duidelijk dat het motje er weer zat.
Hoe het kan, weet ik niet, maar vrouwtje begreep mij. Ze pakte de oranje 'spinnenpakker' en kon zo het motje vangen.
Ik kon alleen maar toekijken hoe het motje buiten werd vrijgelaten en wegvloog.
Wie weet zou ik nog eens een kans krijgen.Ik ben ook een jager op takjes. Ik kan dan helemaal stil zitten, als een standbeeld en dan spring ik op de tak af. Die pak ik, en al stribbelt die soms tegen, ik neem die mee naar binnen. Op een gekke manier vindt het vrouwtje takjes dus ontzettend leuk. Ik krijg dan kudoo’s. Elke dag vang ik wel een tak en die geef ik dan aan het vrouwtje als cadeautje. Vrouwtje blij, ik blij.
Inmiddels zijn er wel wat problemen opgetreden nu er een zogenoemd kattenluikje is. Wil ik naar binnen, moet ik met mijn eerst naar het deurtje toe. Dat maakt het lastiger om vliegjes enzo mee naar binnen te nemen.
Wat een echte uitdaging is: Takjes. Het is bijna onmogelijk om een echte mooie tak mee naar binnen te nemen. Er is er zelfs 1 blijven steken. Het was zo een mooie tak. Gelukkig dat ons vrouwtje hielp en mocht ik die mee naar binnen nemen.
Buiten bij het luikje zelf heb ik al een hele verzameling takjes en die laat ik natuurlijk trots zien aan het vrouwtje.

Afgelopen week nam ik een blaadje mee naar binnen. Een grote. Die heb ik bij het vrouwtje op de bank gelegd. Vrouwtje was er helemaal gelukkig mee en stak hem in het vest. De hele dag heeft ze die gedragen. Trots kijk ik naar het vrouwtje die me een warme knuffel geeft.
Ik nestel me op de stoel en droom over heel veel takjes zonder kattenluikje.
Luikjes-training
Milo en ikzelf vermaakten ons goed. De tuin is geweldig, de buurtuin is geweldig en eigenlijk is het allemaal geweldig.
Het fluitje van ons vrouwtje was HET teken dat er lekkers was of eten. En we mochten tot zeker ’s avonds na het eten nog lekker buiten blijven. Vaak komt vrouwtje ook nog buiten zitten. Dan zit ze met haar ogen dicht terwijl ik op tafel lig en heerlijk geaaid wordt op mijn voorwaarden.

Alleen tja, die regen dat was wel letterlijk de druppel voor ons vrouwtje. Wij moesten blijkbaar door een gat in de muur naar binnen. En in dat gat zat dan een soort van plastic ding.
Vrouwtje probeerde mij te lokken met snoepjes, de allerlekkerste snoepjes maar ik trapte er mooi niet in.
Zij kan gewoon de deur open en dicht doen voor mij. Dan ga ik toch niet als een normale kat door een gat met een plastic ding erin??
Nu had ons mens blijkbaar bedacht om de deur wel dicht te doen na het eten. Naar buiten was dan via dat gat. Milo moest heel hard om mij lachen. “Sophietje, dat is een luikje. Dat is speciaal voor ons.” Ik kijk hem met samengeknepen ogen aan “Milo, je kan stoer doen maar jij bent er ook niet doorheen gegaan”
Terwijl wij buiten zitten, voor de deur, komt ons mens eraan. Toch die deur voor ons opendoen en ik voel de rust weer terugkomen. Maar nee, dat gebeurde niet.Ze maakte dat luikje open, dat plastic ding was even weg. Milo kijkt me aan, draait zich om en gaat door het luikje. Ik hoor hoe blij het vrouwtje is en hem lekkere dingen geeft.
Nou, ze doen maar. Ik trap er niet in! Ik ga op de tafel zitten en kijk boos richting mijn vrouwtje die druk aan het werk is. Ze zwaait. Serieus: ze zwaait, ze glimlacht maar doet niet de deur open.
Het begint een beetje te miezeren. En ik blijf zitten en ik blijf het vrouwtje aankijken. Die zit gewoon te lachen.
Ik, Prinses Sophie, zat er helemaal naast. Ons mens is blijkbaar in staat grenzen te stellen.
De miezer wordt regen en ik ga dan toch maar door dat gat in de deur. Natuurlijk weet ik dat ik dan binnenkom in mijn thuis maar toch: de deur openen voor mij is toch kleine moeite?

Zo gaat het een aantal dagen. Milo vindt het inmiddels prima. Hij neemt van alles mee door dat luikje: takjes, vliegjes, vlindertjes en vrouwtje vindt het prima.
Zelf maak ik ook gebruik van het gat in de muur. Toch wel handig want ik hoef nu niet te wachten tot ons vrouwtje de deur opendoet.
Dan gebeurt het: dat plastic ding komt er weer. Nu is het een luikje met blijkbaar een plastic deurtje. Milo heeft het snel door, die loopt gewoon in en uit alsof hij dat al jaren doet.
Ik vind het vooral heel erg spannend. Wat als ik klem kom te zitten? Wat als mijn staart vast komt te zitten?
Heel langzaam probeer ik het dan toch, ik hoor klik…en kan zo het deurtje opendoen. Opgelucht haal ik adem. Mijn staart zat er soort van wel onder maar de randen zijn van heel zacht materiaal dus dat voelt meer als een aai dan een klem.
Naar buiten toe steek ik mijn poot uit en duw met m’n hoofd. Klik en ik kan het deurtje opendoen.

Stiekem oefen ik een paar keer terwijl voor Milo het al de gewoonste zaak van de wereld is. Ik moet hierbij ook zeggen dat hij me niet geplaagd heeft dat ik het zo eng vond. Hij liet mij zien hoe het moest, hoe hij het deed en buiten wachtte hij vaak onder het tuinstel op mij zodat ik het ook niet eng vond meer.
Nu, een maand verder, ben ik superblij met het luikje. Het wordt minder warm en bij slecht weer gaat de deur dicht. Wij kunnen gewoon buiten blijven, of binnen. Echte vrijheid.
Ons speelterrein is nu van de zolder tot het einde van de tuin.
’s Avonds ben ik wel heel erg moe. Wat een avontuur was dit weer. En ons vrouwtje? Die glimlacht steeds meer.
Zij gelukkig, wij gelukkig.

Het weer
’s Morgens, wanneer ik mijn ogen open, lig ik languit op mijn rug en zoek ik het vrouwtje, dat vaak al wel wakker is. Dan word ik prinselijk geknuffeld en gekroeld, zoals alleen ons vrouwtje dat kan. Sophie ligt vaak aan de andere kant van het vrouwtje. Na-aapster. Zij eist ook aandacht. Gelukkig heeft ons vrouwtje daar ’s morgens genoeg van. Althans, wanneer ze niet hoeft te werken.
Wanneer we beneden zijn, krijgen we ons eten, worden de brokjes bijgevuld en is het water weer vers. Sophie heeft in één ding gelijk: we komen niets tekort.
Na het eten is het tijd om naar buiten te gaan. De deur staat altijd open en de zon schijnt bijna altijd: de hemel voor poezen en katers als ik. In de tuin staat Nepeta, die het vrouwtje kattenkruid noemt. Dat vind ik raar: het heeft paarse bloemetjes en lijkt helemaal niet op katten. Maar het ruikt wel heel erg lekker. Voor ons katers is geur heel belangrijk en deze Nepeta staat op meerdere plekjes in de tuin. Er is ook kattengras, heerlijk om op te kauwen als er een haarbal dwarszit. Er staan grote Annabellen waar we ons achter kunnen verschuilen en waar ik Sophie kan laten schrikken.


En zo ineens komt er water uit de lucht. Eerst een paar druppels en ineens heel veel. Geschrokken ren ik naar de overkapping. Dan roept het vrouwtje ons op die bepaalde toon die we zo goed herkennen: kom thuis nu betekent die toon. Via de overkapping is het maar twee seconden naar binnen, maar ik weet nu wel hoe nat ik word van regen.
De deur gaat dicht. Prima, in die nattigheid hoef ik niet buiten te zijn. Ik ga druk bezig om mezelf weer schoon en droog te krijgen. Want onze vacht, dat is onze bescherming.
Laat ik het even uitleggen.
Voor ons, katers en poezen, is het weer heel anders dan voor mensen. Wij kijken en voelen het weer. Wij voelen het aan alles wat natuur is.
Met regen verandert er heel veel. Behalve dat onze vacht nat wordt en wij het koud krijgen als we niet gauw droog kunnen zitten, veranderen ook geuren en geluiden. Door harde wind kunnen geuren verplaatst worden en kunnen geluiden vervormen. Voor ons kan het dan lijken alsof we ons in een andere omgeving bevinden, terwijl ik bijvoorbeeld gewoon op de tuinstoel zit.
Met deze regen kwam ook onweer. Wij lagen lekker relaxed te chillen op de koude vloer. Het was ook echt heel erg warm geweest en wij wisten ’s middags al: er komt onweer. Het vrouwtje wist dat ook. Die was erg nerveus en zelfs wat angstig. Ze zat veel (te veel) op die tablet te kijken wanneer en waar het onweer zou komen. En toen… boem! Daar was het onweer.
Onweer betekent binnenblijven. Onweer is niet per se gevaarlijk, maar wij horen het al van heel ver aankomen en voelen de verandering in de lucht. Wij zijn niet standaard bang voor onweer. Bij heel heftig onweer kunnen we wat onrustig worden. Vooral het geluid is voor ons heel erg hard.
Sophie rekte zich eens helemaal uit. Het onweer deerde haar niet. Ik ging bij het vrouwtje liggen. Misschien kon ik haar wat geruststellen. Zegt ze ineens: “Milo, ik weet dat jullie de radar zijn. Als jullie rustig zijn, dan kan ik ook rustig blijven. Als het gevaarlijk wordt, wel laten weten, oké?”
Ik kijk haar aan, doe alsof ik er niets van snap en knipoog voordat ik me op mijn rug draai. Kijk, als het vrouwtje met mij aan het kroelen is, denkt ze niet aan onweer. Een win-win situatie.

Het onweer gaat voorbij, de regen stopt en we mogen nog even naar buiten. Buiten is het wel nat en mijn poten worden helemaal vies. Sophie vindt het geweldig en stapt vol vertrouwen de natte wereld in. Ze snuffelt overal aan. Ik blijf liever dicht bij huis, daar is het in ieder geval droog.
De zon is het beste wat er is. Wij katers en poezen liggen graag in de zon. We blijven daardoor warm en we zijn nu eenmaal graag warm. Bovendien hoeven we door de zon zelf minder energie te verbruiken om warm te blijven.
Katten weten over het algemeen wel wanneer het te warm wordt en zoeken dan zelf een koel plekje op. Als opperkater ken ik mijn grenzen heel erg goed en is er altijd het wakend oog van ons mens.

Ik kan het dak op?
Buiten was het een groot avontuur voor mij. Als echte buitenpoes-prinses vermaak ik me prima, op een paar kleine dingetjes na. Die dingetjes vind ik niet helemaal top. Voor nu is het oké, maar ik reken erop dat ons vrouwtje, ons mens en mijn personeel, dit wel gaat veranderen.
Buiten ligt namelijk grind. Dat vinden mijn poezelige poezenvoetjes niet geweldig. Al is het wel heel lekker om op te liggen, een soort natuurlijke massage. En tussen die steentjes lopen weer allerlei kleine beestjes die ik kan bestuderen en waar ik mee kan spelen. Dat is wel erg eenzijdig, alleen dat maakt mij niet zo uit.

Op een heerlijke zonnige dag lig ik te chillen op mijn stukje kunstgras en zie Milo naar de muur kijken, het muurtje tussen de buurttuin en onze tuin. Nieuwsgierig neem ik dat tafereeltje in me op. Milo is iets van plan zonder mij erin te betrekken.
Hij springt en zit bovenop het muurtje. Vrouwtje zit te kijken en haar al grote ogen worden supergroot. Milo heeft problemen, bedenk ik me en struin ook eens richting die muur waar hij op zit.
“Milo,” roep ik. Hij kijkt me aan met zo’n grote katergrijns. “Ga je echt bij de buren kijken?” Intussen komt ook ons vrouwtje naar buiten. “Niet doen, Milo, kom maar, dan krijg je lekkers.” Milo grijnst en is weg, zomaar aan de andere kant van de tuin.
Vrouwtje blijft lief roepen en ik zie hem door de struiken en het gaas heen lopen alsof het zijn tuin is. Terwijl vrouwtje lief blijft roepen, komt hij alweer over het muurtje heen. Met moeite, want Milo is niet zo van het hoge springen.
Vrouwtje helemaal kuudo’s geven en “boefje dit en boefje dat” en Milo geniet zichtbaar van de aandacht. Alsof hij uren weg geweest is.
En ik? Ik zie kansen…
Als Milo over het muurtje kan, dan kan ik het ook. Ik spring, en zit op het muurtje. Dit is zo leuk. Ik kijk om me heen en zie een leuke tuin. Onze buurttuin noem ik het. Milo ging niet, die was weer aan het aanhalig zijn bij het vrouwtje.
Ons vrouwtje raakte in paniek toen ik even door de tuin van de buren liep. Alsof ik iets ergs ging doen. Mijn naam roepen, fluiten (ze heeft een speciaal kom-hier-fluitje). Normaal ren ik echt wel naar haar toe, alleen even gewoon rondlopen is ook fijn. Ik heb ons vrouwtje wel vijf minuten laten wachten voor ik het muurtje weer oversprong.
Vrouwtje lijkt het maar te laten. Ik weer het muurtje over, wel blijven mauwen om te laten weten waar ik ben. Ik wil niet weer die gênante vertoning dat ze mij gaat roepen. Wat zullen de buurtkatten wel niet denken!!
Eerst ga ik met Milo kijken in de buurttuin, alleen zodra Milo geluidjes hoort van een vrouwtje dat bezig is, springt hij weer onze tuin in. Ik dan ook maar weer onze tuin in. Saaie Milo.
Ook eens kijken of we bij de andere kant ook zo makkelijk erop kunnen springen. Het is hoger, maar het lukt mij wel. Milo niet, die is bezig met vlindertjes en vliegen en luisteren. Maar vanaf deze schutting kan ik op de overkapping. En vanaf de overkapping kan ik op het hogere dak.
Milo mauwt en houdt me in de gaten, een echte kater. Ik voel me daardoor weer wel heel veilig, dus ik ga nog iets hoger.
En dan gaat de deur open bij de buren. Mijn route is ineens niet meer mijn route. Er lopen vreemde mensen met bekende stemmen, dat wil ik niet. Er is maar één optie: heel hard mauwen en hopen dat vrouwtje mij en Milo hoort. Het lijkt uren te duren, Milo vertelt achteraf dat het nog geen 5 minuten was.
Ineens hoor ik heel dichtbij mijn vrouwtje lachen, heel lief lachen dat wel. Ik hoor haar zacht praten en ik voel dat ik rustig word. Er gaat een raam open en daar is de liefkozende hand van mijn vrouwtje, mijn alles… Voorzichtig pakt ze me op en zet me binnen in onze poezenkamer op de grond. “Volgende keer zelf een weg vinden, Sophie,” zegt ze.
Ik geef haar kopjes en loop langs haar benen. Zo blij ben ik dat ik weer op de grond sta.
Samen gaan we de trap af en ik hoef even niet naar buiten. Ik blijf even bij het vrouwtje, want die is echt de liefste en de beste.

Een ongelukkig ongelukje
Mijn wereld is perfect. Ik heb een huis, een tuin en een vrouwtje dat ons niet meer constant in de gaten houdt. Ze vertrouwt ons weer en dat is belangrijk. Heel belangrijk zelfs. Want ik ben natuurlijk de Kater van de Wereld en die moet je een beetje zijn gang laten gaan.
Ik ga m’n gangetje. Naar binnen als ik daar zin in heb, wat brokjes pakken en natuurlijk mijn kudoo’s bij het vrouwtje halen. En de laatste tijd is vrouwtje een stuk vrolijker. Dat is leuk. Soms zingt ze zelfs. Dat is dan weer grappig, want ze kan hele gekke stemmetjes zingen.
Voor Sophie en mij heeft ze altijd een heel kort liedje dat rijmt op onze namen. Zo ben ik in het liedje Milo di Ferilo, alsof ik een Italiaan ben.
En voor Sophie is het Pietje Sophietje, mijn lieve grietje.

Het is fijn dat ons vrouwtje weer zo vrolijk is. Haar bestie komt ook wel eens langs. Echt wel heel erg leuk, want die kriebelt en kroelt mij altijd even voor ze met vrouwtje weggaat. Zelfs dat vind ik wel erg oké, want vrouwtje komt altijd terug met lekkere dingen voor ons. Ik geloof dat ze zelfs helemaal naar Duitsland gaat voor ons.
Soms dan vang ik een motje, dan neem ik die mee naar binnen. Vrouwtje vindt die cadeautjes alleen niet zo leuk. En ik mag ze ook niet houden als speelgoed. Sophie is heel goed in het vangen van libellen. Ik steel die gewoon van haar en dan ren ik heel hard naar binnen. Om meteen weer naar buiten te worden gestuurd.
Op een dag zag ik een geel/zwart beestje vliegen. Sophie zei: niet doen, dat is een wesp ofzo. Vrouwtje heeft mij al vaak gewaarschuwd.
Maar hé, ik ben Milo: opperkater! Ik kan die wel aan hoor, zo’n klein beestje. Ik spring en hij zit gevangen onder mijn poot. “Auw!” schreeuw ik. Sophie rende heel hard naar binnen, zo hard schreeuwde ik.

Mijn poot deed heel erg veel pijn. Ik likte en voelde nog iets uit mijn poot steken. Met mijn voortanden en tong kreeg ik het eruit, maar het bleef wel pijn doen. “Vooral niets laten merken,” dacht ik bij mezelf. Wanneer vrouwtje merkt dat er iets is dan gaat ze meteen naar de dierenarts en ik wil niet naar de dokter.
Dus heel cool ga ik op de vloer liggen. Sophie lag inmiddels op de luie stoel en vrouwtje keek op. “Waarom zijn jullie al binnen?” vroeg ze. Ik ontweek haar blik en bleef liggen, lopen deed namelijk nogal zeer.
“Milo, wat is er met je poot?” Ze springt op en ik ben net te laat om weg te komen, door die poot natuurlijk. Voorzichtig tilt ze me op en checkt mijn poot. “Ach manneke toch.”
Sophie grijnst. Ik vind het vreselijk als ons vrouwtje zo doet.
Ze voelt onder mijn poot en kijkt me aan: “Je bent gestoken, hè?” Ze zet me neer en doet de buitendeur dicht. “Vandaag maar even binnenblijven, allebei.”
Nou, dat haalde de grijns wel van het gezicht van Sophie, die mij nu vernietigend aankijkt. “Ik zei nog niet doen, Milo,” snauwt ze naar mij.
Ik vind het niet leuk, alleen aan de andere kant krijg ik wel heel veel kudoo’s en aandacht. Ik hoor het vrouwtje bellen met de dokter en lachen. Als ze ophangt zegt ze: “Goed voor je poot zorgen, Milo. Zodra die niet meer zo dik is mag je weer naar buiten.”

Dik? Mijn poot is helemaal niet… Ik kijk en het lijkt of mijn poot vijf keer zo groot is geworden. Zielig kijk ik naar het vrouwtje, die me naast zich op de bank legt. “Ga maar even slapen.”
Sophie bleef wat boos doen, totdat ze wel begreep dat ik het expres niet had laten merken. “Niet meer doen nu, hoor,” en ze likt me het hoofd schoon, wat nu niet lukt met die poot.
Na twee dagen mochten we weer naar buiten. Ik liep nu wel weg van die geel/zwarte beestjes en luister wat beter naar het vrouwtje. Voor nu althans…
Ik blijf tenslotte wel DE opperkater.
Naar buiten
Het is juni. Het is heerlijk in ons huis. Als ik even geen zin heb in Milo, dan ga ik boven op mijn eigen krabton liggen. Dat mandje daarvan is al behoorlijk gehavend. Ik lig daar ook zo lekker en ik kan dan heerlijk kneden met mijn voetjes, dat is het bijna fijnste gevoel.


Ik vind het heerlijk om zo te kunnen rennen. Van beneden naar de zolder en weer naar beneden. We hebben boven nieuwe ramen. Dat was nodig. En ja, daarvoor zijn wij weer opgesloten geweest. Maar dat is al eventjes geleden.
Deze nieuwe ramen hebben horren. Nu kunnen ze altijd op een kiertje staan zonder dat er kleine beestjes naar binnen komen (denkt het vrouwtje). Elke ochtend doet het vrouwtje één raam open en dan ruik ik nog beter alle geuren van buiten.
Milo likt altijd aan de horren. Niet omdat hij dat lekker vindt, hij vindt het gewoon fijn om de geuren te proeven en hij doet dat op die manier. Vrouwtje vindt het blijkbaar grappig, want ze moet altijd even lachen. Ik vind Milo een aansteller. Hij vindt dat ook van mij. Hij is net een broer voor mij en daarom hebben we ook wel eens ruzie.

Het is inmiddels wel erg warm aan het worden, zelfs voor mij. Ik voel aan mijn poezenbotten dat het zomer wordt en zien in de tuin allerlei beestjes vliegen. In huis hebben we ons vrouwtje beschermd tegen spinnen. Daar is ze namelijk niet echt dol op. Milo is de koning van het vliegenvangen, dat kan hij zo goed. We weten ook dat we die niet bij het vrouwtje hoeven brengen, dat schijnt niet leuk te zijn ofzo.
We genieten vooral van alle aandacht en van de rust. Soms horen we de buurhond, soms zien we de buurhond. Milo is helemaal verliefd op dit hondje. Gekke Milo.
Op een zoveelste warme ochtend worden Milo en ik geroepen. Ik herken die toon van ons mens onmiddellijk: er gaat wat gebeuren. Milo kijkt me aan en we rennen om het hardst naar ons vrouwtje toe.
De deur in de bijkeuken staat open. Er hangen dingen voor waar wij denk ik wel doorheen kunnen.
Ik kijk naar het vrouwtje en zij knipoogt, als ze knipoogt weet ik dat het goed is. “Ga maar kijken,” zegt ze.
Pootje voor pootje ga ik door de open deur terwijl Milo al buiten loopt. Ik voel iets nieuws aan mijn poten. Het is koel en plat, niet glad wel fijn. Dit heet tegels begrijp ik van Milo.
Ik kijk wat verder en blijf dicht bij het vrouwtje. Want naar buiten willen zijn en echt buiten zijn, dat is toch anders. Ik ruik aan de plantjes en word opgepakt en weer naar binnen gebracht. “Ik ga jullie rustig aan laten wennen,” zegt het vrouwtje.
Milo vindt het natuurlijk weer prima, maar ik toch echt niet. Weet je hoe fijn dat voelt om buiten te zijn? De wind te voelen? De lucht te ruiken en te proeven?
Wie weet mogen we morgen weer eventjes. Eventjes is beter dan niet, denk ik terwijl ik ondertussen een plan bedenk om langer buiten te kunnen zijn.
Binnen ga ik op de koele vloer liggen met Milo, en we praten nog een tijd lang over buiten tot we in slaap vallen.
In de week die volgt mogen we elke dag wat langer naar buiten, tot de deur openblijft en vrouwtje rustig in huis aan het opruimen gaat.

Het is geweldig buiten.
Bloemen waar we achter kunnen verstoppen, we kunnen nog meer rennen dan binnen en die groene heg is geweldig.
We blijven wel in onze tuin, die is groot genoeg om ons te vermaken. We hebben een eigen hoekje met de afgezaagde boom. Daar groeien nu takken uit waar ik als panterpoes in de schaduw kan liggen.
Er staat een bak met kattenkruid. Dat ruikt zo lekker! En daar komen heel veel beestjes op af die ik dan kan vangen. We mogen er zelfs in springen zonder dat er meteen “nee!” wordt gezegd.
Echt van ons dus.
Fijn!
Wat heerlijk heb ik het.
Soms roept het vrouwtje ons. Milo en ik rennen dan om het hardst. Als vrouwtje ons roept krijgen we iets lekkers, dat is altijd goed.
Het is meer dan ik kon dromen: Ik kan naar buiten, heb een mens die de deur voor ons bedient, krijg goed eten en lekkere snacks. Af en toe een appetijtelijke libelle of vlinder verslinden: dat is het beste wat er is.

Ik ben gelukkig.
Ik ren weer naar het vrouwtje en ga dicht bij haar liggen op de koele tegels onder de parasol. Zo heet dat ding wat wiebelt in de wind en schaduw geeft.
Milo zit op een stoel, ik lig op de tegels. Vrouwtje glimlacht en drinkt nog wat water. “Ik hou van jullie,” zegt ze.
Wij knijpen onze ogen een beetje dicht. Zo zeggen wij dat wij ook van haar houden.
Nieuwe ligplekjes
Na de nieuwe voortuin is het genieten. Nog geen marter gezien, ik denk dat die ’s nachts komen als wij boven zijn met het vrouwtje.
Er komt een goede vriend van het vrouwtje, een werkvriend. Ik vind hem erg grappig, Sophie vindt hem vooral aardig, typisch Sophie. Hij komt en ja hoor, WEER worden wij op onze kamer gezet. Inmiddels voel ik me een kleine kater-crimineel. Aan de andere kant is het ook fijn dat wij voor lawaai enzo beschermt worden.

We horen veel gestommel en gerommel en dan is het stil. Wanneer het vrouwtje thuis komt en ons van de kamer laat is de woonkamer leeg. De grote bank is weg, mijn lievelingsplekje is weg. De kamer is zo goed als leeg. Er staan nog wat tuinstoelen maar de kast is weg, de tafel is weg…alles is weg. Verward kijk ik naar Sophie die haar hoofd schudt en gauw weer naar boven gaat.
De dag erop is het hetzelfde verhaal: wij weer de kamer op. Weer gerommel en gestommel.

Dit keer mogen we al redelijk snel de kamer af. Ik weet werkelijk niet wat ik zie en ruik.
Er staat een nieuwe eettafel met stoelen. Op 1 van die stoelen ligt MIJN dekentje naast de werkstoel van het vrouwtje.
Er staat een hele lange kast tot ongeveer heuphoogte van het vrouwtje. Die kast is gaaf: ik kan er onderdoor sluipen.
Ik loop vol vertrouwen verder en zie twee grote luie stoelen. Op 1 stoel ligt de handdoek van Sophie waar Sophie natuurlijk al aan het ruiken is. De andere stoel heeft een neutrale deken zoals het vrouwtje het noemt. Ik spring op de stoel die begint wat te draaien. Ik klamp me vast aan de deken. Ik spring er gauw weer af, en weer op want het is best ook spannend.

We kunnen overal onderdoor schuiven, dat vind ik het meest gaaf. Ons vrouwtje pakt een kop koffie en gaat rustig op de bank zitten. “Zo Milo en Sophie, nu is het binnen af” zegt ze.
“EINDELIJK” denk ik. Sophie en ik knipogen naar elkaar. Sophie gaat lui in de stoel liggen. Zelfs ik vind haar nu erg leuk. Ikzelf ga toch op de bank liggen bij het vrouwtje en laat me kroelen.
Eindelijk rust. Vrouwtje kijkt me aan en glimlacht. Ik heb haar lang niet zien glimlachen op die manier. Ik denk dat het met vrouwtje ook steeds beter zal gaan, ik weet het zeker.
Ik loop nog even zo langs alle nieuwe geuren. Het ruikt naar hout, ik vind dat een fijne geur.

Blijkbaar heeft het vrouwtje in alle hectiek de deur opengelaten naar, wat zij noemt, de bijkeuken. Dat is best gek want ik zie nu dat er helemaal geen keuken in staat. Mensen praten soms raar.
Alleen ik zie daar iets zitten, op hoogte van mijn hoofd, waardoor ik naar buiten kan kijken. Dat is gek, ik probeer er tegenaan te duwen. Ik denk dat het vrouwtje daar een raampje in heeft gemaakt voor Sophie en mij, dat we nog beter ... nee, dat zou echt gek zijn met al die grote ramen. Ik haal mijn schouders op. “Mensen doen soms gekke dingen,” zeg ik tegen een luie Sophie.
Ik krijg geen reactie en ga op de troon liggen. Dromen van allemaal plekjes waar ik kan liggen.


13 september 2026
Twee jaar geleden kwamen wij in het leven van ons vrouwtje. Sindsdien hebben we al heel wat avonturen beleefd, en er wachten er vast nog veel meer op ons die wij uiteraard met jullie gaan delen.
Wij genieten dagelijks van de onvoorwaardelijke liefde, het spelen en de onuitputtelijke bron aan snackies.
Vandaag willen we dit kleine feestje graag met jullie delen. Pak er een lekker gebakje bij, een kop koffie of thee en doe vooral wat wij doen: genieten van een luie zondag.
Wij wensen jullie een zondag vol gezelligheid en natuurlijk lekkere snackies!
Veel lieve kopjes,
Milo & Sophie
Laatste loodjes
Als opperkater houd ik de boel uiteraard goed in de gaten. Sophie en ik dachten: oké, het is klaar. Rust.
Daar dacht ons mens anders over. “Nog even doorzetten,” zei ze ongeveer ontelbare keren. Het leek alsof ze meer zichzelf overtuigde dan ons geruststelde.
Daar kwamen de mannen weer. We mochten gewoon in de huiskamer, geen probleem. Ze waren nu buiten bezig. In onze tuin. Zonder dat IK daar inspraak in had.
Eerst in de voortuin werd alles weggehaald. Aan de ene kant jammer, vooral het kleine muisje kon ik niet meer zien. Aan de andere kant konden we nu wel kijken tot aan de overkant van de brede straat waar wij blijkbaar woonden.

Daarna gingen de heren naar de achtertuin. Daar kon ik goed alles overzien. Gaan ze daar aan de palmboom staan trekken en rukken alsof die eruit moest…
Ow, wacht.
De palmboom is eruit.
Hé, nu kan ik echt ver kijken. Helemaal tot achteraan de tuin.
In de rechterhoek werd een boom nog halverwege de boomstam gekort. Beetje raar, maar misschien moet de boom weer groeien. Met mijn kattenlogica kom ik best ver.
Onder mijn toeziend oog werd de achtertuin steeds netter en het leek wel steeds groter. Dat we ver konden kijken is voor ons binnenpoezen en -katers erg belangrijk. Zo kunnen we gevleugelde situaties in de tuin in de gaten houden.

Vooral duiven. Houtduiven.
Sophie kan er echt naar staren. Ik word er boos van omdat ik er niet bij kan. De achtertuin is zover klaar. Er staan wat nieuwe bomen helemaal achterin.“Leipe bomen,” zei vrouwtje.
Sophie tikte mij op mijn neus. “Leibomen zijn dat, Milo!”
Vlak voor we echt ruzie kregen, hoorden we buiten veel lawaai. Rennen als de beste om te kijken wat er aan de hand is.
De heren zijn bezig met de voortuin. Weet je wat het ergste was?
Ons mens, ons vrouwtje, ging gewoon weg. “Plantjes halen met de buufvriendin.”
Alsof het doodnormaal is om ons alleen te laten terwijl er in de voortuin gewerkt wordt. Daar ga ik nog wel een praatje met vrouwtje over maken.
Ik hou alles nauwkeurig in de gaten wat ze doen. Er komen zilveren bakken te staan die de meneer nat maakt. Niet slim volgens mij, want dan worden ze bruin. Roest. Als kater weet ik dat soort dingen natuurlijk als de beste. Grit wordt aangevuld en dan rijden ze weg. Sophie en ik vol verwachting op vrouwtje. We willen weten wat er allemaal gebeurt.
Nou, vrouwtje kwam pas laat thuis. En ze rook alsof ze al had gegeten. Ik heb haar zeker 30 seconden genegeerd.
We kregen wel heel veel aaien en kudoo’s en extra veel eten. Daarmee is al veel goedgemaakt en mijn humeur is weer op en top goed.
Lekker bij vrouwtje liggen en kroelen is het beste ter wereld.
De dag erop gaat vrouwtje zelf naar de voortuin. Allemaal plantjes planten. Ik kon alles goed volgen. Nu zag ik wat ze bedoelde.
Voor en achter kwamen allemaal plantjes die nog heel klein waren.
“Die moeten nog groeien,” zei vrouwtje.
Het is voor mij als kater goed te weten, want het waren wel héle kleine plantjes.
Een week later staat het vrouwtje met de hand voor de mond naar buiten te kijken.
Alle plantjes zijn uitgegraven. Van een mooie voortuin is geen sprake meer.
Wij hoorden via de voordeur dat de carportburen vertelden dat er mogelijk een marter was.

Onze mooie voortuin was ineens een vakantiebestemming voor marters, leek wel. Elke dag was er wel iets vernield.
Vooral voor vrouwtje was het heel erg. Ze had zoveel tijd aan de tuin gespendeerd.
Uiteindelijk heeft ze opgegeven.Volgend jaar weer. En dan weet ze al wat ze in de tuin zet.
Geen kleine plantjes meer. En stinkspul dat de marters verjaagt.
Dit jaar ga ik vooral kijken of ik die marters zie en ze verjagen met mijn boze blik, blazen en hissen.
Samen met Sophie. Die kan dat echt heel erg goed.
Voor nu is het slapen tot de marters komen.

Nieuw thuis, nieuw....alles?
Het nieuwe thuis is al echt thuis. Milo die rondloopt alsof hij het voor het zeggen heeft. Hij denkt maar, IK weet wel beter. We rennen er wat af, alleen kan hij me echt niet bijhouden. Vrouwtje speelt veel met ons, wat altijd fijn is.
Er worden veel dozen uitgepakt. Voor mij helemaal niet verkeerd, want dat zijn nog veel bekende geuren. Wij poezen houden daar wel van, bekende dingen. Dozen zijn altijd leuk , we mogen erin spelen. We krabben aan het karton zonder op onze kop te krijgen.
Blijkbaar is een nieuw thuis ook een nieuwe keuken en nieuwe kasten. Dat is hartstikke fijn, alleen die vreemde mannen die dat doen vind ik niet zo fijn. Vrouwtje heeft bedacht: jullie gaan jullie nieuwe slaapkamer maar op.

Fijn weer. Worden we zonder overleg opgesloten op onze poezenkamer. Serieus, als Milo op de kattenbak gaat, dan stinkt hij echt heel erg. Bleh!
Wat wel leuk is: één van die meneren speelt soms met mij… ons, onder de deur door. Aandacht is er genoeg, onder de deur, terwijl ik gewoon rond wil lopen in mijn paleis. Soms duwt hij een snoepje onder de deur door. Dat is lief.
Wat een raar gedoe ook weer, dat opsluiten.
Als alle klusmannen weg zijn, mogen we weer van onze kamer af. Het ruikt vreemd. In de keuken hangt een groot plastic gordijn waar we niet achter kunnen (en mogen).
Vrouwtje is irritant blij. Dat snap ik dus totaal niet. Ons thuis is een rommeltje geworden. Waarom? Het was toch goed?
Boven is de saaie kamer nog steeds een saaie kamer. Er staan NOG meer kasten in. Moesten wij daar dan voor opgesloten worden?
Totale waanzin is het.
Dit gaat zo een paar dagen door: wij opgesloten in onze kamer. Ik voel me bijna Rapunzel zonder het lange haar.
Even iets uitleggen: wij hebben een grote tuin, de mensen die achter ons wonen ook. Dus wij hebben tuinen tegen elkaar. We zien het dak wel van de mensen achter ons en schuin achter ons zit een grote, mooie kat.
Wat Milo vindt? Die is verliefd op de buurhond. Zodra die buiten is, zit hij alleen maar naar de buurhond te kijken. Gekke Milo.
Ik daarentegen kijk wel wat er allemaal gebeurt in de buurt. Iemand moet het doen.
Het is zeker een maand, al zegt het vrouwtje dat het maar een week was, dat we elke dag opgesloten zaten. En dan is het plastic weg, is er een nieuwe keuken die naar hout ruikt. Er is weer licht in de keuken en blijkbaar is de keuken ‘af’, zoals vrouwtje het noemt.
We gaan nog meer doezen uitpakken.
Nog meer dozen, nog meer papier waarin breekbare spullen zaten. Ik vermaak me prima met Milo. Wij houden van dozen
Vrouwtje kijkt ons aan en zegt:
“Sorry jongens, we zijn er nog niet…”
Jongens?
Hallo! Ik ben een dame! Geen jongen. Milo is een jongen.

Al ben ik wel heel nieuwsgierig wat ze bedoelt met we zijn er nog niet.
We zijn er toch? Hier in ons nieuwe thuis waar blijkbaar een nieuwe keuken in moest.
Voor nu vind ik het prima: ’s morgens even met de kat van de achterkant naar elkaar kijken en overdag spelen en slapen.
Vertrouwen doe ik het niet. Iets zegt mij dat er nog wat te gebeuren staat.

De eerste winter thuis
Het was wel even wennen al ging dat snel. We hadden een heerlijke plek gekregen om ongestoord te eten en drinken. Dat is natuurlijk één van de belangrijkste dingen voor mij als kater. Onze kamer was ook heerlijk om in te spelen en uit de ramen konden we heel ver kijken.
Er stonden ook nog heel veel dozen. Vrouwtje was vooral de
eerste week heel erg druk met uitpakken, schoonmaken en zorgen voor de visite. Ik vermaakte mij prima. Ik rende vaak achter Sophie aan, alleen die kan veel sneller dan ik rennen. Het is net of ze veel meer energie heeft dan ik heb.
Dat is niet zo hoor. Ik vind het gewoon gezellig om bij mijn mens te liggen. Dan krijg ik knuffels en kusjes op mijn hoofd.
En ineens was hij er weer. Mijn vriend, de Gnoom.
Vrouwtje zette hem mooi voor het lange raam. Samen konden wij heel lang naar
buiten kijken. Deze Gnoom voelt voor mij vertrouwd als het winter is. En ja, dat kan ik echt wel zeggen na één winter, want ik ben Milo.

Sophie lachte me wel eens uit omdat Gnoom eigenlijk niet leeft. Voor mij maakte dat niets uit. Hij ruikt naar ons, naar vrouwtje, naar thuis. Dat is het belangrijkste.
Twee dagen later begon er ’s avonds iets van geknal, net als
vorig jaar. Alleen veel minder. Sophie was niet meer zo bang.
Samen hebben we vuurwerk gekeken van achter het raam, met
het vrouwtje. Want het is en blijft wel heel spannend hoor. Heel veel grote lichten aan de lucht, alsof sterren uit elkaar spatten. Zo mooi. Het duurde niet heel erg lang. Ik wist dat er een nieuw jaar was begonnen.
Dat is wel iets van mensen trouwens. Wij katten en dieren
vinden het raar om jaren bij te houden. Seizoenen, dát is belangrijk. Maar hé, vrouwtje geeft ons alles wat wij willen. We doen gewoon vrolijk mee.

Januari begon heel bijzonder. Vrouwtje was met haar collega-vriendin aan het praten op de computer en begon te huilen. Daarna ging ze met een collega-baas op de computer praten. Ze sloot de laptop en dat was het.
Vrouwtje moest veel huilen. Ze legde uit dat ze heel lang voor anderen had gezorgd en dat er nu nog verdriet uit moest. Ik snapte dat totaal niet. Sophie keek mij aan en schudde haar kop. “Er zijn,” was haar advies.
Nou, dan ben ik er. Veel knuffelen. Veel bij haar zijn. Ze was heel veel thuis, dat was heel veel knuffelen en aandacht. Ik hou daar wel van.
In januari kwam ook dat witte spul weer naar beneden, maar dit keer bleef het liggen. Heel veel ook. Samen met Gnoom heb ik gekeken. Eerst op afstand, maar uiteindelijk ben ik naast hem gaan zitten.

Tussen de struikjes in de voortuin zag ik vogeltjes schuilen. Volgens mij ook een muisje. Ssssst, niet vertellen hoor. Als vrouwtje dat zou weten, zou ze gaan gillen denk ik.
Onze achtertuin leek groter dan ooit met al die sneeuw. De
sneeuw lag op de bladeren en de tuin leek wel een grote witte kattenbak. Samen met Sophie heb ik uren getuurd en gekeken.
Onze eerste winter in ons gouden thuis
Met dozen, visite, vuurwerk, verdriet, sneeuw… en Gnoom.

Voor altijd thuis
Eerlijk is eerlijk, ik heb heerlijk geslapen. Milo snurkte wel een beetje als altijd, dat is wel oké. Inmiddels ben ik dat wel gewend.
Wakker worden was wel een nieuwe ervaring. Hetzelfde bed, dezelfde Milo en ons vrouwtje die met een lach naar ons zit te kijken. Bijna gênant, ik ben toch geen kitten!
Voorzichtig ga ik van bed naar die kamer ernaast, blijkbaar ‘onze’ kamer, doe ik als aanname. Snel wat drinken. Wat gespannen, een beetje stress en heel erg nieuwsgierig naar wat we gaan doen. Milo hobbelt achter het vrouwtje aan alsof hij heer en meester is hierboven.
Ik ga op de vensterbank eens kijken wat er te zien is. Ik kan echt ver kijken hier, heel veel tuin dus hopelijk ook veel vogeltjes en beestjes om naar te kijken. Op de lantaarnpaal zit een dikke duif mij aan te kijken: ik staar terug… ik weiger te knipperen… en dan springt Milo ook op de vensterbank en vliegt de duif weg. Ik kijk hem even geïrriteerd aan en Milo geeft me een kopje. Hij is Milo, zelfs ik kan daar niet boos op blijven.

Dan roept het vrouwtje ons: “Kom jongens, we gaan koffie doen en wat eten.” Het magische woord: eten! We rennen gauw naar haar toe en smikkelen onze bakjes met saus en stukjes weet-ik-veel-erg-lekker leeg.
Terwijl ik eet hoor ik hoe het vrouwtje de trap af loopt.
Halverwege laat ik het eten staan en ga achter het vrouwtje aan. De deur die gisteren nog dichtzat is nu open. Vrouwtje neuriet en ik hoor het bekende geluid van wat het vrouwtje koffie noemt. Poot voor poot stap ik naar binnen. Milo volgt me op de poot.
Ik weet niet wat ik zie, ik weet ook niet zo goed wat ik aan mijn poten voel. De vloer is warm, heel erg aangenaam voor gevoelige poezen als ik. Er ligt een groot kleed. Zoals het een echte poes betaamt, zet ik er meteen mijn klauwen in, al voorbereid op een standje. Dat standje komt niet, wel een aai van het vrouwtje, die rustig gaat zitten en de televisie aanzet. Milo gaat, natuurlijk, meteen bij het mandje met onze speeltjes kijken. Blijkbaar zijn dat onze eigen speeltjes plus nieuwe!
Ik kijk nog eens om me heen. Onze oude bank, oude tafel en die gekke kast die in ons oude huis stonden, staan hier. Milo heeft misschien wel gelijk dat we hier blijven. En ik vind dat misschien helemaal niet erg. De woonkamer is groot. Zoveel renruimte, zoveel ruimte om te spelen en te slapen. Mijn geliefde krabpaal staat er ook, gelukkig. Mijn troon is meegekomen!

Milo roept heel hard dat ik moet komen kijken. Zelfs vrouwtje kijkt even om en glimlacht. Ik ga gauw kijken wat Milo heeft gezien. Totaal verrast door wat ik zie. Ons uitzicht is geweldig! Achter kijken wij uit op een hele grote tuin, tenminste, van wat ik denk dat van ons is en het vrouwtje gaat dat natuurlijk leuk maken voor ons. Er staat nog niet veel, maar als ik iets naar links kijk, zie ik daar de stoelen uit onze oude tuin staan.

In het midden staat een hele grote boom. Vrouwtje komt bij ons staan en zegt: dat is een palmboom. Nogmaals: dat is helemaal niet interessant. Het is een grote boom, dat is interessant.
Met Milo kijk ik naar alle vogeltjes die overvliegen. In de verte zien we ook grote vogels vliegen, groter dan de duiven die we zijn gewend. Best wel cool vind ik. Er staat een hele groene rij met bomen aan de rechterkant en ik fantaseer dat ik daar in kan klimmen. Ik laat dat maar los, wij mogen niet naar buiten en dat is prima. We hebben nu zo’n groot huis.
Ik ga eens bij het vrouwtje kijken. Die zit bij een ding waar een raam in zit, ik kan er raar genoeg niet door naar buiten kijken. Even op de bank, misschien krijg ik nog wel een snoepje. Terwijl ik naar haar toeloop, zie ik dat we voor dit huis ook een tuin hebben. Mijn snorharen gaan ervan trillen zo gelukkig word ik ervan.

Nu ben ik het die Milo roep. Milo rent me bijna omver en dan ziet hij wat ik zie: onze voortuin is helemaal met struiken. En er is een laag raam. Daar kunnen we alles zien op onze hoogte. Milo is in de zevende hemel als hij dat ziet.
We zien een muisje lopen, vogeltjes onder de struiken en spinnetjes die draadjes hebben gemaakt tussen de struiken door.
Dan ineens horen we een hele harde KAVOEP en ruiken vuur. Van schrik spring ik op en kijk naar het vrouwtje. Zij kijkt dromerig in dat glas waardoor je niet naar buiten kijkt. Daar zijn vlammen, niet gevaarlijk, dat weet ik zeker. Tenslotte is ons vrouwtje erg rustig. Er komt warmte vanaf, heerlijk. Vrouwtje legt uit dat dit een kachel heet. Ik sla dat op in mijn poezenbrein, altijd handig te weten.

Nog één keer wil ik echt zeker weten dat ik niet droom. Ik ren heel hard naar boven, helemaal naar de zolder. Daar kijk ik eens goed rond. Ik ren naar de verdieping van onze kamer en loop even rond en dan ren ik heel hard de trap af naar beneden. Ik spring op de bank en ga op de brede bankleuning liggen.
“Thuis,” zucht ik.Milo kijkt me aan: “Dit is niet een gouden mandje, dit is een gouden thuis.”

Van huis naar thuis
Daar gingen we dan, in de auto. Het was wel gek, ons vrouwtje bleef maar praten over onze nieuwe kamer en ons nieuwe huis en dat we het geweldig zouden vinden. Ik schreeuwde alles bij elkaar in die auto: “Ik wil naar huis.” Vrouwtje bleef maar glimlachen, om gek van te worden.
Milo dacht dat we naar de dokter moesten, alleen het was donker en we waren pas geweest. Het duurde ook langer dan normaal in de auto, voor mij leek het wel uren. Dat vrouwtje zei kwartiertje geloofde ik natuurlijk niet. Milo was al een stuk rustiger, zolang vrouwtje er is vindt hij het best. Nou, ik niet… helemaal. Ik heb een hekel aan dit mandje, dus ik wil eruit!!

Toen stopte we. Het was anders, het rook anders en toch ook vertrouwd. We gingen een trap op, niet dezelfde, dat merkte ik wel. Ik rook dat er eten stond, ik zag ons oude krabmeubel staan… alleen de muur was anders en de ramen leken kleiner. Ik snapte er werkelijk niets meer van.
Gaat het mandje open. Ik denk niet dat ik zomaar uit mijn mandje kom nu hoor, veel te eng. Vrouwtje gaat op de grond zitten met snoepjes. Milo weer blij, die loopt zo naar het vrouwtje toe om snoepjes te halen en begint gewoon te eten alsof er niets is.

Als hij het kan, dan kan ik het ook. Charmant als ik ben stap ik voorzichtig mijn mandje uit. Het is best stil, alleen het neuriën van ons vrouwtje hoor ik. Dat is wel fijn, vertrouwd. Gauw ga ik ook eten, anders eet Milo alles op.
Tijd om eens te kijken waar we zijn, uiteraard tot we weer teruggaan naar huis, want dit ken ik niet, hier blijf ik niet.
Samen met Milo ga ik rondkijken. We hebben een kamer, er zijn weer 2 toiletten plus de vilten huisjes waar we graag mee spelen. In de hoek staat 1 krabton. Die waar we samen in lagen toen we nog echte kittens waren.
Vrouwtje staat op en loopt de kamer uit naar de kamer ernaast. Snel ren ik achter haar aan. En daar staat het bed, de kast met de spiegel… alles wat ik al ken. Heel bijzonder dat dit hier staat.
Dan komt Milo naar me toe: “We blijven hier,” zegt hij. Nors kijk ik hem aan: “Hoe weet jij dat?”
“Vrouwtje zei dat,” zegt hij. Doodleuk wandelt hij door de slaapkamer heen.
Ik ben in shock. Hier blijven, op deze 3 kamers, dat is ongehoord en kan echt niet. Ik ben gewend aan ruimte en nu op 1 verdiep… oh, de trap. Wacht, nog een trap. Ik roep Milo en samen gaan we de trap op.
Ik wist het zeker: dit was van en voor Milo en mij. Gewoon 6 meter poezen-sprint ruimte! Vrouwtje riep ons, dus snel weer naar de slaapkamer, misschien nog meer snoepjes. Nog wel kritisch en ook moe. Nog even de derde kamer inspecteren: saai, heel saai. Net als in ons misschien oude huis: kasten.
Er ging nog een deur open, daar zal vast een kraan zijn, net als in ons misschien oude huis. Ik rende erheen en schrok me een snorhaar. Deze badkamer was wel anders. Er stond een hele grote kuip in, bad noemde vrouwtje het. Meteen erin springen natuurlijk!! Heel erg glad,

Milo en ik hadden het grootste plezier. Even vergat ik de stress die ik had gevoeld. Water, ik hoorde water. Ja hoor, ik kon ook hier water drinken. Anders dan ik was gewend, maar dat maakt niet uit. Ik mocht en kon water uit de kraan drinken terwijl vrouwtje haar tanden schoonmaakte.
Na alle indrukken had ik nog zoveel energie. Vrouwtje ging in bed liggen, alleen sja, Milo en ik wilden nog even de zolder inspecteren, kijken hoe snel we de trappen op en af konden en natuurlijk even wat brokjes eten tussendoor. We hebben zo hard gerend dat Milo ging liggen te hijgen. Ik ging nog even door, wat heerlijk om zo te kunnen rennen en springen.
Ineens hoor ik: “En nu is het klaar!” Kijk, normaal bepaal ik wanneer het klaar is, alleen als vrouwtje het op die toon zegt, weet ik dat ik beter kan luisteren.
Milo lag al uitgeteld op bed bij het vrouwtje, de slijmbal. Ik plof helemaal gelukkig op bed, dicht tegen de kuiten van vrouwtje aan. Dit misschien nieuwe huis is best leuk tot nu toe.

We hebben hem!
En dan… op een dag komt ons vrouwtje helemaal blij thuis. “We hebben hem!”
Ik kijk Sophie maar even aan, want hier snap ik even helemaal niets van. Wie is hem?
En wat hebben we hem? Sophie kijkt net zo verward als mijn hoofd is. Ze kijkt naar vrouwtje, dan naar mij en weer naar vrouwtje. Alsof zij misschien wél begrijpt waar dit over gaat. Dat doet ze dus niet.
Maar hé, vrouwtje is blij, dus wij ook. Zo moeilijk is dat niet. In de tijd die volgt is het een drukte van jewelste.
Er komt een fotograaf allemaal foto’s maken van alle kamers. Hij loopt overal rond met zo’n grote camera en kijkt alsof hij alles heel belangrijk vindt. Zelfs plekken waar wij gewoon iedere dag komen. Alsof hij die nog nooit gezien heeft.
Er komt ook een bord in ons kleine voortuintje te staan. Ik heb er nog goed naar gekeken, er stond niets eetbaars op dus ik was er snel klaar mee.
En vrouwtje bleef maar glimlachen en praten over dat we ‘hem’ hadden. Ik begon me toch wel af te vragen wie die hem dan precies was.
Op een zaterdag, heel vroeg in de ochtend, worden wij zonder overleg in onze kamer opgesloten. Alsof wij boeven zijn! Schandalig was het en we hebben dan ook luid geprotesteerd. Vooral ik. Je moet natuurlijk wel duidelijk maken dat je het hier niet mee eens bent.
Sophie vond het allemaal een stuk minder leuk. Zij houdt niet zo van vreemde mensen en al helemaal niet van vreemde mensen die zomaar door ons huis lopen.

En dat deden ze.
We hoorden heel veel stemmen. Mensen die op en af de trappen gingen. Voetstappen, gepraat, deuren die open en dicht gingen. Soms kwam ons vrouwtje even binnen en soms was daar de Buufvriendin.
Toen was ik eigenlijk wel blij dat we opgesloten zaten. Want zoveel vreemde mensen is zelfs voor mij een beetje veel. Een beetje maar.
Gelukkig werd het in de avond rustig en mochten wij onze kamer weer uit. Ik heb eerst maar eens uitgebreid gecontroleerd of alles er nog stond. Je weet het tenslotte maar nooit met mensen.
Wat een gek gedoe. Vrouwtje vertelde ons dat er mensen naar ons huis waren komen kijken. Dat is mooi en prachtig, alleen ons daarvoor opsluiten is onacceptabel.

De weken erna komen er steeds meer lege dozen in ons huis. Ik heb natuurlijk heel goed meegeholpen om die te vullen. Voornamelijk met mijzelf, want iedere doos moet gekeurd worden. Dat snap je wel. Een doos kan er van buiten heel onschuldig uitzien, maar je weet nooit wat erin zit. En bovendien: als een doos openstaat, moet je erin. Dat is gewoon een regel.
Er ging van alles in die dozen.
Spullen uit de bijkeuken, uit de keuken en zelfs uit de kast in de woonkamer werd alles ingepakt. Rare wezens, die mensen. Ze halen spullen uit kasten, stoppen ze in dozen en zetten die dozen vervolgens midden in de kamer neer. Waar je er dus niet meer normaal langs kunt lopen. En dan verwachten ze ook nog dat je niet op die dozen gaat zitten. Dat is natuurlijk vragen om problemen.

En vooral: waarom verdwijnen daarvoor al onze spullen in dozen? Ik snapte er werkelijk niets van.
Vrouwtje kocht ook veel nieuwe dingen. Zo kregen wij een nieuwe krabton, omdat we niet meer met z’n tweeën op één konden, we waren en zijn echt stoere poezebeesten. Dat gebeurt als je groter wordt, Ik vond dat een prima ontwikkeling. Meer krabton is altijd goed.
Ze kocht ook een nieuwe gekke borstel. Eigenlijk was die voor achter de verwarming, maar Sophie knaagde eraan en was blijkbaar erg onder de indruk. Vanaf dat moment was de borstel van Sophie. Want zo doen wij dat. Als wij ergens mee spelen, is het van ons. Dat lijkt mij volkomen logisch
En toen gebeurde het…WEER.
We werden doodleuk WEER op onze kamer opgesloten.
Toch was het dit keer anders. Al heel vroeg in de ochtend. Dit keer zonder onze speeltoren. Eén van onze toiletten was weg, er stonden karig twee vilten mandjes. Twee. Alsof dat genoeg was. Maar het gekste was dat er ook twee mandjes stonden waarmee wij normaal naar de dokter moesten. Ik vond dat onmiddellijk verdacht, heel verdacht.
Wel stonden er water en brokjes, maar verder niks.
Geen speeltjes. Geen toren. Geen normale spullen. Alleen die twee mandjes.
Ik keek naar Sophie. Sophie keek naar mij. Volgens mij dachten we allebei hetzelfde: er klopt iets niet.


We hoorden heel veel rare stemmen. Mensen weer trap op, trap af. Er was veel lawaai. Geluiden die we niet kenden. Deuren, stemmen, gestommel. Mensen die wij niet kenden. We hoorden en roken dat onze spulletjes weg waren. Dat is voor twee poezen als wij best spannend. Want een huis hoort te ruiken zoals ons huis. Naar ons…naar vrouwtje…naar onze spulletjes…naar zoals het hoort te zijn.
Steeds meer vreemde geuren kwamen ervoor terug. Tussen al die stemmen hoorden we gelukkig nog de stem van ons vrouwtje. Ook de stem van de Buufvriendin hoorden we en van een goede vriend die wij alleen kennen van de computer. Dat was goed. Als vrouwtje er was, was het tenminste een beetje vertrouwd.
Ergens in de avond, het was al donker, kwam vrouwtje onze kamer binnen. Ze keek heel erg blij. Logisch, ze zag ons weer. Ze praatte tegen ons en kwam naar ons toe. Ik dacht even dat het allemaal voorbij was.
Tot ze Sophie pakte en haar zomaar in één van die mandjes met deurtjes zette. Ik zag het te laat. Voor ik doorhad wat er gebeurde, werd ook ik opgepakt. En ook ik moest in zo’n mandje. Vreselijk. Reken maar dat we dat hebben laten horen. Heel duidelijk en hard.
Ik weet niet of vrouwtje begreep wat we allemaal te zeggen hadden, maar ik heb mijn mening in ieder geval uitvoerig gegeven.
Vrouwtje zette ons in de auto. De auto, met die mandjes…Ik wist het zeker. We kregen weer een spuitje. We moesten weer naar de dokter.
Wisten wij veel…

Andere tijden
lente/zomer 2025

Het was lente. Wij mochten niet naar buiten maar genoten wel van de ramen open. Vrouwtje was meer thuis dan voorheen en daar maakten wij natuurlijk optimaal gebruik en misbruik van.
We zaten vaak voor het raam de geuren van buiten ruiken, dingen die voorbij vlogen…we genoten. Vrouwtje was dan aan het werk en alle knuffels die we wilden kregen we. Paradijs dachten we toen.
We gingen meer op ontdekkingstocht en op een dag liet het vrouwtje de keuken open. En in een moment dat ze niet oplette sprong ik op de hele hoge kast. Geweldig vond ik het maar eraf komen was toch wel even anders. En dan doe ik wat een prinses doet: heel hard om hulp van mijn personeel mauwen.
Alleen ons mens dacht hier blijkbaar dat ik maar iets ‘moest leren’.
Sjonge sjonge. Staat daar met snoepjes te rammelen en ondertussen Milo ook aan het mauwen om die snoepjes. Totale chaos.
Eindelijk zag ik wat ik moest doen: op het aanrecht springen. Echt spannend maar ik deed het toch. Met als beloning knuffels en snoepjes en een klein beetje standje dat ik dat niet meer moest doen.
Resultaat: Milo sprong er ook op. Vrouwtje kon alleen maar lachen en dit keer waren de tranen van het lachen. Dus sprong ik ook maar op de kast. Daar konden we mooi overzicht houden over alles. Geweldig! Vrouwtje was in de weekenden wel wat vaker weg. Dan kwam ze moe thuis, wel altijd in goed humeur. En op een dag nam ze een grote doos mee naar huis. Die zette ze neer alleen mochten wij er niet aankomen. Nou, lekker dan. Wel meenemen maar wij mogen er niet aankomen? We roken eraan en het rook naar papa. Ik denk dat daar spullen in zaten van papa. Vrouwtje keek altijd liefdevol naar die doos tot ze hem wegzette: zo, dat is voor als we een ander huis hebben.

Vrouwtje was soms 2 uurtjes weg en kwam dan thuis met: nee, dat was niet ons nieuwe huis. En dan dacht ik: oh, er komt een nieuw krabmeubel want onze was best aan het slijten.
We voelden wel aan dat er iets te gebeuren stond maar dat ook het vrouwtje nog niet precies wist wat. En het voelde als iets leuks, iets nieuws…en nieuwe grote krabpaal bijvoorbeeld.

Als dame had ik natuurlijk wel in de gaten dat er meer aan de hand was dan alleen een nieuwe krabpaal.
Er kwamen ineens lege dozen, vrouwtje was regelmatig weg en er kwam zelfs een fotograaf om foto’s van het huis te maken. Ik snapte er helemaal niets van. Wat ik wél merkte, was dat vrouwtje enthousiast was. En als vrouwtje blij is, dan is het voor mij ook goed. 😊
Is het al zo laat... ik wilde jullie eigenlijk vertellen wat er aan de hand was, maar vrouwtje roept dat ik moet gaan eten.
Vrijdag vertel ik jullie wat er toen aan de hand was, oké?
Ik moet rennen, anders eet Milo mijn bakje leeg! 🐾
En toen ging de zon uit
Even een kleine sprong in de tijd naar de actualiteit
Als royale prinses lag ik heerlijk te genieten. Het weer was perfect: 25 graden, een lekker briesje, koud stromend water en ik heerlijk op het kunstgras. En Milo die zich belachelijk gedroeg en kansloos probeerde vlinders te vangen.
Het was tegen een uur of kwart voor acht dat vrouwtje ineens met de bordjes ging rammelen. Lekker, liquidtijd!! Beetje vroeg, maar goed, soms kregen we tussendoor de luxe snacks en wie ben ik om te klagen? Ik ben het waard.
En wat denk je? Doet ze de deur en het kattenluikje dicht. Niet te geloven toch!! Zegt ze dat we binnen moeten blijven, want het wordt toch al wel frisjes en de zon gaat al weg.
Ik kijk Milo aan. Vrouwtje is totaal gek geworden. Ik spiekte even naar buiten. Het leek een beetje te schemeren, maar dat is toch geen reden!
Zegt ze doodleuk: “Sja, jullie kunnen nu beter binnen zijn, want in de zon kijken kan ook jullie ogen beschadigen.” Wat ik zeg: hartstikke gek! Geef mij zo'n brilletje en… ooh wacht, die heeft ze natuurlijk niet gekocht voor ons.


Nou, ik was best boos. Rebels als we zijn, hebben we vanuit het raam naar buiten gekeken. Wel de andere kant op dan naar de zon, want heel misschien heeft vrouwtje gelijk. Ik denk van niet hoor, maar voor de zekerheid.
Gelukkig maakte ze wel alles goed vandaag. Extra lekker eten en een extra keer liquid. ’s Morgens lekker alles natsproeien, zodat er extra beestjes op komen en wij konden jagen, en mijn plekje droog gehouden. Chapeau voor het vrouwtje, daarmee is de eclipsavond goedgemaakt.
Alleen tegen één uur ’s middags werd het wel erg, erg warm. 33 graden minimaal, hoorde ik de weermeneer zeggen. Dan beter binnen liggen onder de ventilator. Balen… als prinses lig ik liever op mijn royale grasmat.
En nu, vanavond, is vrouwtje wel superlief: de achterdeur staat langer open dan normaal. Ik denk dat ze wat goed wil maken. Nu is het wachten, want straks komen die superlekkere liquids weer.
1e kwartaal 2025
Als stilte tastbaar wordt
In januari zag ik voor het eerst sneeuw.
Regen, dat kende ik. Dat was buiten, dus ik kende het vooral van de geur en het geluid. Maar nu kwam er ineens iets wits naar beneden. Eerst net als regen, klein en fijn, en later in grote vlokken.
Als echte kater probeerde ik ze te pakken wanneer ze tegen het raam kwamen. Gek spul, want zodra zo’n vlok het raam raakte, was hij verdwenen.
In januari was het ook dat vrouwtje soms meer, maar vooral steeds vaker, weg was. En naarmate de tijd verstreek, bleef ze steeds langere tijd weg. Ik voelde hoe verdrietig ze was. Soms zat ze stil te huilen, heel stil.


Als er dan iemand belde, deed ze alsof het allemaal goed ging. Dat begreep ik niet zo goed. Wij poezen en katers zijn duidelijk in wat we willen en hoe we ons voelen. Mensen maken het ingewikkeld, alsof anderen niet mogen weten hoe het écht met ze gaat.
Ze praatte veel tegen ons over haar papa. Over vroeger. Over de tijd dat mama nog leefde. En ook over dat papa nu zoveel pijn had.
Dat was wel verdrietig. Als ze moest huilen, deden Sophie en ik alles om haar te troosten. Want daar zijn wij echt heel goed in.
Op 9 april vertelde ze dat papa 95 jaar was geworden. Er zou die middag een klein feestje worden gehouden. De liefste vrienden en familie zouden komen.
Later die week kwam er ook nog een nicht helemaal uit Breda met haar vrouw langs om met papa te praten. Daar keken vrouwtje en haar papa heel erg naar uit.
Op 20 april belde de oudste broer van ons vrouwtje.
Haar papa was er niet meer.
Ik hoorde het direct aan het geluid dat uit vrouwtje kwam. Het was geen huilen zoals daarvoor. Dit was een harde, scherpe knak.
Sophie en ik gingen meteen bij haar op de bank toen ze in elkaar dook. We drukten onze natte neuzen tegen haar tranen en spinden zo hard als we konden om de kou in haar weg te jagen.

Mijn papa is er niet meer, hoorden we haar fluisteren. Wij wisten niet waar hij naartoe was. Maar we voelden dat vrouwtje nu een stukje van zichzelf kwijt was.
Ze liep rond, maar ze was er niet écht met haar gedachten.
Sophie en ik hielden de wacht. We weken nauwelijks van haar zijde en zorgden dat we er waren zodra ze ging zitten. En toen kwam de dag dat ze wegging voor het échte afscheid. Ze gaf ons een extra lange knuffel en liet ons achter in een doodstil huis.
We wisten dat er iets groots aan de hand was. Urenlang hebben Sophie en ik samen gewacht. Er viel die dag geen sneeuw meer. Het was inmiddels lente. Maar binnen voelde het koud en onwennig zonder haar.
Pas laat in de middag hoorden we haar sleutel in het slot. Toen de deur openging, zagen we dat haar schouders eindelijk een beetje naar beneden zakten. De zware, drukkende mist die wekenlang om haar heen had gehangen, leek ze buiten te hebben gelaten. Ze trok haar makkelijke kleren weer aan en kwam bij ons op de grond zitten.
We hoefden niets te zeggen. Wij gaven haar onze warmte en waren er. Dat was genoeg
8 augustus 2026
Naar het heden: Sophie op jacht 🦋
Vandaag was ik, Sophie, helemaal in mijn element.
Het is niet te warm, de zon schijnt lekker en vrouwtje was al druk geweest. Ze zat even buiten te genieten met een kopje van dat zwarte spul. Koffie, geloof ik. Mensen drinken echt rare dingen.
Anyways… ik zag een vlinder.
En die vlinder landde gewoon naast vrouwtje op de grond.
Superinteressant natuurlijk. Het beweegt en ik kan indruk maken op mijn mens.
Ik zette mijn beste pantergezicht op, zakte laag door mijn poten en sloop er langzaam naartoe. Geruisloos. Onzichtbaar. Een geboren jager.
Ik nam een sprong zoals panters dat doen
Nou ja… een pantersprong.
Hij kwam niet helemaal uit zoals gepland.
Ik kwam namelijk vol tegen de deurpost aan. 🫣
Vrouwtje schrok zich helemaal lam en volgens mij vergat ze even dat ze aan het koffie drinken was.
Maar hé, als echte panter laat je je natuurlijk niet kennen.
Ik herpakte mezelf, dit was natuurlijk allemaal onderdeel van het plan en ging gewoon door.
Want die vlinder?
Die had ik echt wel te pakken. 😼🦋
Of de vlinder daar hetzelfde over dacht, dat laat ik graag in het midden.
December 2024
Een maand vol verassingen
We wonen nu ruim twee maanden bij ons vrouwtje en hebben al veel avonturen meegemaakt.
Er kwamen veel mensen op visite en die namen vaak iets lekkers of een speeltje voor ons mee. Voor ons altijd leuk. Nou ja... vooral voor mij. Sophie is niet zo van vreemde mensen. Maar ik? Ik vind het geweldig. Ik weet precies wat ik moet doen zodat ze mij kudo's geven (dat zijn aaien over mijn rug). Of ik ga helemaal gek doen, zodat ze met mij gaan spelen.


Sophie is wat banger, maar zij noemt het gewoon selectief. Nou, ik vind het prima: meer aandacht voor mij. Ik kijk wel altijd even naar het vrouwtje of alles oké is. Soms is het namelijk ook voor mij, als stoere kater, best spannend.
Die maand december is trouwens wel een beetje raar. Vrouwtje zet glazen vazen neer met allemaal kerstballen erin en zegt vervolgens dat ik er niet aan mag komen. Er hangen lichtjes door het hele huis en toch zegt ze dat ze het dit jaar rustig houdt. Voor ons is het vooral wennen aan al die nieuwe geuren.

Met wat mensen Kerstmis noemen, kregen wij ook hele gave cadeautjes. Een pluche tunnel, een grote springveer en allerlei kleine speeltjes waar je heerlijk achteraan kunt rennen. December is eigenlijk best een leuke maand.
En er nog iets geks. Normaal hoorden we iedere ochtend een lawaaiig ding afgaan. Vrouwtje noemde dat de wekker. Ineens bleef dat ding stil. Eerst vond ik dat maar vreemd. Was hij stuk?
Maar eerlijk? Ik vond het eigenlijk veel leuker. We hoefden niet meteen uit bed. We kregen eerst extra knuffels en er werd zelfs nog even met ons gespeeld voordat we opstonden. Dat waren misschien wel de fijnste ochtenden die we tot nu toe hebben gehad.
Aan het einde van de maand begon het buiten ineens heel hard te knallen. Dat vond ik helemaal niet leuk. Sophie en ik kropen dan ook dicht tegen het vrouwtje aan. Toch werd ik ook nieuwsgierig. Midden in de nacht was er ineens ontzettend veel licht buiten. Stoere kater als ik ben, ging ik toch voorzichtig achter het raam kijken. Overal bewogen prachtige lichtjes door de lucht. Ik kon er niet bij, maar wat zag dat er gaaf uit! Alleen... van die harde knallen schrok ik telkens weer.
Gelukkig duurden die harde knallen niet eeuwig. Vrouwtje zei dat er een nieuw jaar was begonnen. Ik wist niet precies wat dat betekende.
Wat ik wél wist, was dat dat rare lawaai in de ochtend ineens weer terug was. De wekker noemde ze dat. Blijkbaar moest het vrouwtje weer gaan werken. Gelukkig maakte ze nog steeds tijd voor een knuffel en een aai voordat de dag echt begon.

Het leven van alledag
Na een week wennen aan elkaar – alsof dat eigenlijk nodig was – veranderde er wel iets.
's Morgens, op een onpoezelijk tijdstip, klonk ineens harde muziek. Vrouwtje mompelde dan iets wat volgens mij geen poezentaal was, gaf Milo en mij een knuffel en verdween naar de badkamer.
Ik sprong dan steevast op het badmeubel. Dat had namelijk één groot voordeel: ik mocht uit de kraan drinken. Heerlijk! Milo durfde dat niet. Die vindt dat water in een bakje hoort en pas dán drink je het. Tja, ieder zijn eigenaardigheden.

Sommige dagen zette vrouwtje haar laptop op tafel. Wij leerden en voelden aan dat we dan wat rustiger moesten zijn. Andere dagen moesten wij de woonkamer uit en liet ze ons alleen. Nu ben ik geen domme poes en al snel begreep ik hoe het zat: vrouwtje ging werken. Mensen doen dat om voor ons te kunnen zorgen.
Het was trouwens ook niet heel erg. We hadden ruimte genoeg, konden de trap op en af rennen en heerlijk klimmen in onze krabmeubels. Al was ik natuurlijk wel erg blij als ze weer thuiskwam.
Aan het eind van de middag kwam ze thuis, zette haar tas in de bijkeuken, gaf ons eten en was vervolgens alweer weg. Ze vertelde altijd waar ze naartoe ging. Mensen denken vaak dat wij katten dat niet begrijpen, maar geloof mij: wij luisteren beter dan jullie denken.
Ons mens ging voor haar vader zorgen. Ze kookte daar, hielp hem en kwam een paar uur later weer thuis.
En dan dacht ik steevast: Je bent bij je vader geweest. Er is gekookt. En jij komt thuis zonder iets voor mij? Dat kan administratief onmogelijk kloppen.
Gelukkig werd dat onrecht altijd rechtgezet. We kregen snackies, knuffels en elke dag werd er met ons gespeeld. Zelfs als vrouwtje moe was.
's Avonds keken we vaak nog even samen televisie en voor we het wisten was het alweer bedtijd.

En eerlijk... dat is misschien wel het mooiste moment van de dag. Want wij mogen gewoon op bed slapen. Op dat heerlijke, dikke dekbed.
Prinseswaardig?
Absoluut!
Simba en Delphi
Die eerste week was heerlijk. Toch voelde ik, Milo, dat er iets niet helemaal klopte. Wat precies? Daar kon ik mijn poot nog niet op leggen. Ik was tenslotte nog maar een kitten, onderweg naar een puberkater.
Soms was ons vrouwtje ineens verdrietig. Toen ik dat tegen Sophie zei, kreeg ik bijna een draai om mijn oren.
"Sufferd," zei ze. "Dat zie je toch?"
Ik keek haar verbaasd aan.
Nog niet zo lang geleden had ons vrouwtje afscheid moeten nemen van haar vorige katten. Simba en Delphi heetten ze. Sophie noemde ze haar rugzakkatjes.
Ik snapte daar eerst helemaal niets van.
"Rugzakkatjes," legde Sophie uit, "zijn dieren die een extra rugzakje meedragen. Ze zijn niet helemaal gezond en hebben daardoor meer zorg, meer aandacht en vooral heel veel liefde nodig."
Toen begon ik het een beetje te begrijpen.
Ons vrouwtje was ontzettend blij met ons. Dat zagen we iedere dag. Maar tegelijkertijd miste ze Simba en Delphi nog heel erg. Mensen kunnen blijkbaar tegelijk blij én verdrietig zijn. Dat vinden wij katten eigenlijk heel logisch. Mensen maken dat soms een stuk ingewikkelder.



Ze voelen schuld omdat ze opnieuw van iemand houden. Alsof liefde op kan raken. Maar liefde werkt helemaal niet zo.
Toen ik dat eenmaal begreep, besloot ik dat ik ook iets kon doen. Troosten is eigenlijk heel simpel. Echt waar, iedereen kan het.
Ik ga gewoon dicht tegen ons vrouwtje aan liggen, geef haar wat extra kopjes en blijf rustig spinnen. Meestal zie ik haar dan glimlachen.
Al moet ik eerlijk toegeven dat Sophie daar veel beter in is.
Die kan minutenlang stil naast haar liggen. Geen gedoe, geen drukte. Gewoon aanwezig zijn. En zodra er een traan verschijnt, geeft ze heel voorzichtig een kopje.
Ik ben meer van het opvrolijken. Achter een balletje aan rennen, gekke sprongen maken of ineens als een dolle door de kamer racen.
Sophie is de troostende poot.
Ik ben de vrolijke noot.
Samen vormen we eigenlijk een heel goed team.
Lastig hoor, al die emoties van mensen.
Maar ach... we hebben nog een heel leven om te leren.
13 sept
2024
Naar huis
13 september was het dan eindelijk zover: we mochten naar ons nieuwe thuis. Marjolein kwam ons die dag ophalen. Van ons pleegvrouwtje hadden we al begrepen dat we ontzettend welkom waren. Dat voelde toch wel heel bijzonder.
Na een laatste afscheidsknuffel werden we samen in een reismandje gezet, met zo'n gaasdeurtje ervoor. De mensen praatten nog even met elkaar, maar Sophie en ik waren vooral gespannen.
Sophie begon meteen heel hard te miauwen. En Marjolein? Die praatte heel rustig terug. Sophie leek dat eigenlijk best fijn te vinden, dus voor ik het wist waren die twee een heel gesprek met elkaar aan het voeren. Een echt meidendingetje.
En ik? Ik lag er gewoon een beetje bij. Eigenlijk vond ik dat rijden best lekker. Het monotone geluid van de auto, het gekwebbel van de twee dames en de heerlijke warmte... eerlijk gezegd dommelde ik af en toe zelfs een beetje weg.
Na een tijdje stopte de auto. Ons mandje werd opgetild en we gingen een ander huis binnen.
Het rook vreemd en toch ook weer vertrouwd. Ik kon meteen ruiken dat er eerder katten hadden gewoond. Dat gaf ergens een veilig gevoel. Ons nieuwe vrouwtje had bovendien overal nieuwe mandjes, speeltjes en krabmogelijkheden neergezet. Ze had duidelijk haar best gedaan om ervoor te zorgen dat wij ons meteen thuis zouden voelen.
en voor we het wisten zaten we allebei heerlijk te eten. Dat was trouwens best goed voer, hoor. Niks te klagen.
Toen we eens goed om ons heen keken, zagen we een enorm krabmeubel. Er zat van alles aan: paaltjes, plankjes, hangmatjes en genoeg klim- en klauterplekken om ons uren bezig te houden. Aan de andere kant van de kamer stonden zelfs twee kattenbakken. Twee! Wat een luxe.
Na het eten werden we toch wel erg moe. We liepen naar beneden en zochten dicht bij ons vrouwtje een rustig plekje op. We waren tenslotte nog maar vier maanden oud en sliepen veel meer dan volwassen katten.
Na ons eerste dutje in ons nieuwe huis begon het echte avontuur. In de huiskamer lag overal speelgoed. Er stond een grote ton waar we in en op konden klimmen en eigenlijk was alles aanwezig waar een kitten alleen maar van kan dromen.


Na ons eerste dutje in ons nieuwe huis begon het echte avontuur. In de huiskamer lag overal speelgoed. Er stond een grote ton waar we in en op konden klimmen en eigenlijk was alles aanwezig waar een kitten alleen maar van kan dromen.
We wisten al gauw waar ons eten en drinken stonde, waar de kattenbakken waren en welke plekjes het fijnst waren om te slapen. We speelden alsof ons leven ervan afhing en toen het 's avonds bedtijd werd, mochten we gewoon met ons vrouwtje mee naar boven.
Daar kropen we samen op het dekbed. Veilig, warm en dicht bij haar.
Vanaf die eerste dag voelden we wat een thuis werkelijk betekent: onvoorwaardelijke liefde, geduld en respect.
4 sept 2024
Opvanghuis
Mijn naam is Milo
Op 30 april 2024 ben ik, Milo, geboren. Na een paar weken verhuisde ik naar een opvanggezin, zodat mijn moeder gesocialiseerd kon worden en niet langer op straat hoefde te leven. Toen heette ik nog Elliot.
Dat pleegvrouwtje waar ik terechtkwam was echt geweldig. Ze zorgde ontzettend goed voor mij en mijn broertjes. We speelden de hele dag en sliepen daarna heerlijk uit. Spelen is namelijk hartstikke vermoeiend!
In die periode ben ik ook een paar keer naar de dierenarts geweest. Ik kreeg mijn vaccinaties en werd gecastreerd. Als stoere kater liet ik natuurlijk niet merken dat ik het spannend vond... al waren die prikjes stiekem best een beetje eng.
Mijn naam is Sophie
Op 9 mei 2024 ben ik, Sophie, geboren. Niet zomaar ergens, maar op de achterbank van de auto van mijn pleegvrouwtje! Mijn moeder was een echte zwerfkat. Of ze uiteindelijk is gesocialiseerd of weer in het wild is gaan leven, weet ik eigenlijk niet.
Voordat ik bij mijn nieuwe thuis terechtkwam, heette ik nog Bambi. Ik woonde bij een ontzettend lief pleegvrouwtje. Het liefst lag ik bij haar op schoot of lekker tegen haar aan, als dat plekje tenminste nog vrij was.
Ik woonde daar samen met acht andere katten. Dat was gezellig en er was altijd wel iemand om mee te spelen. Toch was het soms ook best druk. Af en toe verlangde ik naar een rustig plekje waar ik alle aandacht voor mezelf had.
Op 4 september veranderde het leven van Elliot en Bambi voorgoed.
Bambi was populair; veel mensen hadden belangstelling voor haar. Maar voor Bambi was er eigenlijk maar één keuze. Op 4 september stapte Marjolein binnen en Bambi wist het meteen: dit is mijn mens.
Ze stond bovenaan de trap op haar te wachten. Marjolein benaderde haar rustig en met respect. Dat voelde Bambi direct. Ze gaf een kopje als teken van goedkeuring en ging daarna weer tevreden verder met spelen.
Terwijl Marjolein zich in de poezenkamer nestelde, dacht Elliot precies hetzelfde. Hij maakte zijn keuze op zijn eigen, ontwapenende manier. Hij tikte met zijn pootje tegen Marjoleins knie, draaide zich op zijn rug en gaf zich volledig over. Een echte match made in heaven.
Vanaf dat moment wisten Elliot en Bambi dat hun nieuwe avontuur zou beginnen. Een warm thuis, vol liefde, geduld en vertrouwen, wachtte op hen.















